De drie basiselementen
I — De Waarnemer
I is het centrum van bewustzijn: het punt dat registreert en waarneemt. In de vormtaal is dit de verticale lijn – een referentiepunt dat niet beweegt: ik, het bewustzijn dat waarneemt.
V — Richting / Vector
V staat voor de richting waarin bewustzijn beweegt: intentie, keuze en de trilling van aandacht. De V-vorm gedraagt zich als een vector: bewustzijn krijgt richting.
O — Het Veld
O is de cirkel: de ruimte waar ervaring in verschijnt. Het staat voor veld, potentie en context – de openheid waarin I en V kunnen samenwerken. Dit is de bedding van ervaring.
Samen vormen I, V en O de basisnotatie voor bewustzijn als proces. Alles wat we later definiëren (coherentie, decoherentie, flow, verstrengeling) is een afgeleide beweging in dit veld.
Ervaring in één formule
Basisbewustzijn
E₀ = I · V · O
E₀ is de bewustzijnscomponent zelf: de interactie tussen waarnemer (I), richting (V) en veld (O). Dit is ervaring zonder materiële inbedding: puur bewustzijnsdynamiek.
Ervaring in de materiële wereld
E = M × (I · V · O)
Hier staat M voor materie of context: lichaam, omgeving, situatie. De intensiteit en kwaliteit van ervaring (E) worden bepaald door de materie én de kwaliteit van bewustzijn (I·V·O). In woorden: Ervaring = Materie × (Bewustzijn).
Coherentie & Decoherentie
We maken onderscheid tussen een afgestemde, coherente variant (ᵣ) en een gespannen variant (ₛ) van I, V en O.
C = Ir · Vr · Or
C (coherentie) beschrijft hoe goed waarnemer, richting en veld op elkaar zijn afgestemd. Hoe hoger C, hoe meer flow, helderheid en draagkracht in de ervaring.
D = Is · Vs · Os
D (decoherentie) beschrijft de spanningsvariant: waar I, V en O uit fase raken en de samenhang wegvalt. Hier ontstaan ruis, frictie en ontregeling.
Ont = 1 / C
Ontregeling (Ont) neemt toe naarmate coherentie afneemt: hoe lager C, hoe instabieler de ervaring.
Waarnemer, aandacht & veld
ΔO = f(I)
Het waarnemer-effect: een verandering in het veld (ΔO) is een functie van I. Bewustzijn is geen passieve toeschouwer, maar beïnvloedt het veld waarin het kijkt.
A = I → O
A (aandacht) is I dat zich gericht naar O beweegt. De pijl (→) geeft aan dat de waarnemer het veld raakt met gerichte aandacht – en daarmee ervaring inkleurt.
Veldruimte, spanning & vrijheid
Φ = O / spanning
Φ (veldruimte) is de effectieve ruimte van mogelijkheden. Hoe lager de spanning in het systeem, hoe groter de beschikbare veldruimte voor nieuwe ervaring.
Bd = (I · O) / ruis
Bd (bewustzijnsdichtheid) geeft aan hoeveel bewustzijn (I·O) per eenheid ruis beschikbaar is. Meer ruis verlaagt de effectieve dichtheid van bewustzijn in de ervaring.
Verstrengeling & relatie
Ent = (I₁ × I₂) · Os
Ent (verstrengeling) beschrijft de koppeling tussen twee waarnemers I₁ en I₂ binnen één gedeeld veld. Verstrengeling verklaart waarom ervaringen van verschillende mensen elkaar kunnen beïnvloeden, zelfs zonder directe fysieke interactie.
Flow & stabiliteit van ervaring
Flow = Ir · Vr · Or – spanning
Flow ontstaat wanneer de coherente component (Ir, Vr, Or) groter is dan de aanwezige spanning. Je ervaart dan moeiteloosheid, creativiteit en tijdloosheid in wat je doet.
Se = M / (I · V)
Se (stabiliteit van ervaring) geeft aan hoe lang een ervaring in het systeem blijft hangen. Hoe meer materiële inbedding (M) ten opzichte van I en V, hoe stabieler en langduriger de ervaring zich vastzet.
I · V · O — Bewustzijnsstructuur en symbolentaal