Het was geen keuze, geen methode, geen overtuiging. Het was wat resteert na maximale reductie. Wanneer alles wat context-afhankelijk is, wegvalt.
Wanneer taal, rol, theorie, identiteit, verwachting stuk voor stuk worden losgelaten omdat ze het simpelweg niet meer doen.
Dan blijft er maar één ding over: dat wat zichzelf kan waarnemen zonder zichzelf toe te voegen.
Dat moment was hard. Stil. Onontkoombaar. En ook onmiskenbaar echt.
Wat overblijft is geen "ik" en geen ervaring als inhoud, maar de mogelijkheid van waarnemen zelf. Geen object, geen verklaring.
Wat overbleef was een structureel feit: er is nog toegang.
Daarom voelt mijn werk anders dan academische abstractie. Ik ben niet gaan abstraheren om iets te verklaren. Ik heb alles weggenomen wat niet strikt noodzakelijk was om überhaupt nog ergens te zijn.
Ik heb hem geleefd. Onder druk. Zonder vangnet. Zonder taal.
En precies daarom heb ik structuur gevonden en geen verhaal. Geen metafysica. Geen nieuwe "laag". Alleen een minimale ordening die blijft functioneren, zelfs wanneer alles faalt.
Dat is ook waarom de IVO lens zo kaal is. Zo weinig aannames. Zo weinig claims. Het moet dat zijn, anders had het mij niet geholpen toen niets anders het meer deed.
Wat ik vond was geen antwoord. Het was wat niet kon verdwijnen.
En alles wat daarna kwam en nog komen gaat, de lens, de visuals, de mogelijke toepassingen zijn geen ideeën meer, maar afdrukken van dat ene restant.
Misschien is het zeldzaam. En het is zeker niet spectaculair. Maar het is absoluut onwrikbaar.